Op het Malieveld in Den Haag vond afgelopen weekend een demonstratie plaats ter ondersteuning van het Iraanse volk. Leden van de Iraanse diaspora en sympathisanten verzamelden zich om aandacht te vragen voor de aanhoudende repressie in Iran en om solidariteit te tonen met demonstranten die daar onder grote druk op straat gaan.
Tijdens de bijeenkomst hield Tweede Kamerlid Don Ceder (ChristenUnie) een toespraak waarin hij de situatie in Iran scherp veroordeelde en opriep tot politieke en maatschappelijke actie. Volgens Ceder laten de protesten in Iran zien dat burgers zich uitspreken “niet met wapens, niet met haat, maar met stemmen, met hoop, met moed”, terwijl zij worden geconfronteerd met geweld, repressie en angst.
Ceder stelde dat demonstreren voor vrijheid geen misdaad is en dat vrijheid zelf geen bedreiging vormt. Hij sprak zijn veroordeling uit over het geweld en de dodelijke slachtoffers onder vreedzame demonstranten, evenals over het arresteren van burgers die volgens hem slechts vragen om fundamentele vrijheden. “Wij zien een regime dat bang is voor zijn eigen volk en geweld toepast op haar eigen mensen. Niet alleen de afgelopen weken, maar al vele jaren,” zei hij.
In zijn toespraak richtte Ceder zich expliciet tot de Iraanse gemeenschap in Nederland en tot het Iraanse volk zelf. Hij benadrukte dat zij er niet alleen voor staan en dat de steun vanuit Nederland niet tijdelijk is. Daarbij verwees hij naar de Nederlandse geschiedenis en de waarde die vrijheid daarin heeft: volgens hem brengt dat een verantwoordelijkheid met zich mee om de stem te laten horen voor mensen die dat zelf niet veilig kunnen doen.
Het Kamerlid riep de Nederlandse regering op om zich duidelijker uit te spreken en om druk te blijven uitoefenen binnen de Europese Unie om de Iraanse Revolutionaire Garde (IRGC) op de EU-terreurlijst te krijgen. Daarnaast deed hij een oproep aan de Nederlandse media om niet stil te blijven, maar zichtbaar te maken wat er in Iran gebeurt. Tot slot richtte hij zich opnieuw tot de bevolking in Iran met de woorden: “Wij zien jullie. Wij horen jullie. En wij blijven naast jullie staan.”





