Hij verliest zijn vrouw achttien maanden nadat ze tot geloof was gekomen. Bij het verkeersongeluk waar ze bij betrokken is, raken zijn kinderen zwaargewond maar ze overleven het. De Nederlands-Australische Ronny Heyboer vraagt zich af waarom hij zo hard gewerkt heeft. Als hij hertrouwt, roept God hem en zijn vrouw Kay naar Borneo. Daar vangen ze inmiddels duizend verwaarloosde kinderen op en stichten ze gemeentes. Bij hun project Living Waters Village staat een bord: ‘Je betreedt hier een wonderzone, binnengaan op eigen risico’.
Ronny en zijn kinderen Tanja en Paul hebben een enorm moeilijk jaar nadat zijn vrouw er niet meer is. “Ik heb tegen de kinderen gezegd: ‘Ik weet niet waarom mama stierf, maar we gaan ons niet de rest van ons leven zielig voelen. We zitten nu even in de put en snappen er niks van, maar we kruipen eruit want God heeft werk voor ons te doen. We moeten rouwen en iedereen doet dat op zijn eigen manier. Daar moeten we elkaar de gelegenheid voor geven. Wat denk en jullie? De kinderen zeiden: ‘Absoluut’. We hebben veel gehuild, veel geknuffeld. Het was een moeilijk jaar, maar we zijn eruit gekomen.”
Als hij terugkijkt op zijn leven, vraagt hij zich af waarom hij zo hard gewerkt heeft. “Omdat ik die banen had en mijn vrouw ook werkte, zagen we elkaar bijna nooit. We hadden een knots van een huis met alles erop en eraan, maar nu was ik mijn beste vriend kwijt. ‘Waar ben je mee bezig, man?’, vroeg ik mezelf. De wereld zegt dat je veel moet hebben, maar het kostbaarste is de tijd die je met mensen besteedt. Ik realiseerde me dat ik anders wilde gaan leven.”
“Pak je boeltje”
Ruim een jaar later trouwt Ronny met een Australische verpleegster die hij leert kennen in zijn kerk. Haar naam is Kay Elizabeth. “Kay-lief is ze”, grapt hij. “Paul (toen zeven) accepteerde de situatie snel, maar Tanja (destijds veertien) was een echte tiener en had er meer moeite mee. Ze vond Kay ontzettend lief, dat wel en nu zijn ze dikke vriendinnen.”
Het stel geeft veel aan de kerk en aan goede doelen, maar Ronny vraagt God of hij niet meer kan doen. “Toen zei de Heer heel duidelijk tegen mij: ‘Pak je boeltje in en volg Mij maar.’ Ik ben naar binnen gerend, naar Kay en zei: ‘Ga maar even zitten’. Zij vroeg waarom. Ik vertelde dat ik geloof dat God tegen ons zegt dat we ons boeltje in moeten pakken en Hem moeten volgen. ‘Goed’, zei ze. ‘Ik ga de makelaar bellen’. Ze was er klaar voor. Op haar veertiende had ze een profetie gehad dat ze zendeling zou worden.”
Het echtpaar gaat naar een bijbelschool om zich voor te bereiden. Ik bad: ‘God, waar wilt U me hebben. In China of Korea of Rusland. Als het maar niet in Nederland is.’ De reden hiervoor is dat Ronny als achtjarige naar Nederland kwam, omdat zijn Nederlandse vader bij zijn vader en moeder in de buurt wilde zijn. Het huwelijk tussen Ronny’s ouders liep stuk en ook werd hij misbruikt. Dit maakt dat hij geen goede herinneringen heeft aan Nederland en zodra hij achttien is, vertrekt hij naar Australië.”
Niet logisch
Ronny en Kay verkopen alles wat ze hebben. “Iedereen verklaarde ons voor gek. Er was financiële crisis en niemand gaf zijn baan op in die tijd. Maar we hebben twee opties: naar God luisteren of dat niet doen. Het is veel beter om de Heer te gehoorzamen, ook al is het soms moeilijk te begrijpen of vaak niet logisch.”
Het echtpaar weet dan nog niet waar God hen heen zal zenden. “We zeiden: Het maakt niet uit, Heer, zeg maar waar U ons wilt hebben. Op de bijbelschool hadden we een gebedsnacht. Om drie uur ’s ochtends kreeg ik een woord van de Heer: ‘Ga naar Borneo’. Een vriend van mij wilde op het Indonesische eiland Flores een gemeente stichten. Hij wilde op verkenning gaan met zijn vrouw en kinderen, maar ik zei: ‘Dat moet je niet met je gezin doen. Als je iemand mee wilt hebben, ga ik wel mee als support.’ Ik zei ook dat ik ook naar Borneo wilde gaan, ook al was het ver van Flores. Toen ik aankwam op Borneo ging mijn hart zo te keer. Het voelde bijna alsof ik een hartaanval kreeg. De Heer zei in mijn geest: ‘Ik wil dat je hier naartoe gaat.’

Ik was net geland, kende het eiland niet, was er nog nooit geweest. Na de reis zei ik thuis tegen Kay: ‘We gaan naar Borneo’. Ze zei: ‘Goed, wanneer gaan we?’ Ik wilde zeker weten of het idee van God kwam en niet van mij. Ik vroeg de directeur van de bijbelschool om raad. Hij zei: ‘Houd je van de Heer? Zou je alles doen wat Hij je vraagt? Denk je dat je Vader in de hemel jou zou laten gaan als je het verkeerd denkt te hebben gehoord? Nee, want Hij is je Vader. Hij weet dat jij Zijn wil wilt doen. Jij bent zo enthousiast. Als het niet van God is, zal Hij je stoppen, daar kun je van opaan.
Grote puntneus
In 1994 vertrekt het gezin naar Borneo, het op twee na grootste eiland, na Groenland en Nieuw-Guinea. Daar dient de familie de Dajaks. Dit zijn animisten, die geloven dat alles een geest heeft, ook bomen, rivieren, de zon. Ook aanbidden ze hun voorouders. Er zijn vierhonderd verschillende stammen, met elk hun eigen cultuur en taal. Wel beschouwen de stammen elkaar als familie.
“De stammen hebben vaak nog nooit een blanke gezien. De eerste keer dat ik bij een stam was, werd ik door de vrouwen aangestaard alsof ik van een andere planeet kwam. Ik vroeg hen wat er was. ‘Het is uw neus’, en ze gebaarden een overdreven lange, puntige neus. ‘We vinden uw neus zo prachtig. Wij hebben allemaal een platte neus, maar wij willen een puntige neus zoals u’. Dat ik blank ben met een grote neus, is vaak wel een goede opening voor een gesprek met de Dajaks.”
Ondervoede kinderen
In het begin was er letterlijk niks dan alleen oerwoud. “Ik bad: ‘Ik heb een gebouw nodig en ik heb niks. Als het Uw wil niet is dat ik hier ben, stop me dan. Er waren meteen al jongelui die meehielpen. Ik huurde een huis en kocht land.” Het gezin ziet ondervoede kinderen fruit plukken. “We dachten dat ze dit deden voor hun stam, maar toen we met hen in gesprek kwamen, ontdekten we dat ze waren gedumpt. Hun ouders waren gestorven of wilden hen niet meer. Het komt ook voor dat meisjes van negen, tien of elf, die voor het eerst ongesteld zijn, door de toverdokter worden uitgehuwelijkt in ruil voor wat varkens. De ouders hebben er niets over te zeggen. Sommige kinderen vluchten. Ik moest verschrikkelijk huilen en zei: ‘Ik kan hier niet tegen, al die verwaarloosde kinderen.’ Toen zei de Heer: ‘Breng ze maar binnen’. Ik vroeg: ‘Waar?’ ‘In je huis’, antwoordde Hij. ‘Maar ik kan amper rondkomen’, wierp ik tegen. God zei: ‘Jij brengt ze binnen, Ik doe de rest’.”
Ronny en Kay redden eerst zeven meiden. “We wisten dat zij niet meer werden verkocht en dat ze veilig waren. Ze zaten onder de schurft, vlooien en wormen. We zorgden voor medische behandeling en hebben ze net als onze eigen kinderen gevoed, gekleed, naar school gestuurd. Na een maand moest de rekening worden betaald en we merkten dat er net genoeg geld op de bank stond. Niet teveel en niet te weinig. Toen dachten we: Als het met zeven lukt, lukt het ook met dertig. Aan het eind van de maand gebeurde hetzelfde. We weten niet waar het geld vandaan kwam, maar het was er. God heeft altijd voor ons gezorgd.”
Als de kinderen binnenkomen, leren ze eerst sociale vaardigheden. “Ze komen uit het oerwoud en hebben nooit aan een tafel gegeten, eten gedeeld of een wc gebruikt. Als ze komen, leren wij hen dat in ons trainingscentrum Adonai. Tegelijkertijd vertellen we hen het evangelie, want ze geloven in afgoden en geesten en er is veel angst voor de toverdokters.” Van hun cultuur leren ze de mooie kanten te behouden.

Duizend kinderen
Van dertig gaan ze naar zeventig kinderen. Ze vangen nu ook jongens op. De behuizing wordt uitgebreid. Inmiddels zorgen Ronnie en Kay voor duizend kinderen en zorgen ze dat tweeduizend kinderen naar school gaan.” Ook zijn er dertig gemeenten gesticht, is er een eigen bijbelschool. De studenten gaan, als de Heer dit bevestigt, na hun studie meteen het oerwoud in en bij de stammen wonen. “Niet bij hun eigen stam, dat werkt niet. Jezus had ook problemen met zijn eigen mensen. Soms zijn stammen vijandig, dan gaan we ergens anders naartoe.”
Het project Living Waters Village omvat inmiddels 330 hectare grond. “We hebben al twintig kilometer aan wegen aangelegd en honderd gebouwen gebouwd. Ik vraag altijd aan God wat we moeten doen, want het is van Hem.” Als je het terrein oprijdt, zie je het bord ‘Je betreedt hier een wonderzone, binnengaan is op eigen risico’. “Ik kom heel veel christenen tegen die niet geloven in wonderen. Het feit dat wij meer dan duizend mensen drie keer per dag kunnen voeden is een wonder. We hebben rijst, eieren, kleding, voeding, schoenen, handdoeken, lakens, gebouwen, dat is een wonder.”
Op het terrein staan een kleuterschool, een lagere en een middelbare school. Sommige kinderen volgen of volgden een universitaire opleiding elders. De meeste kinderen keren terug naar het project om daar te dienen. Er zijn veertig huizen, die geleid worden door huisouders die allemaal bij Ronny en Kay zijn opgegroeid. Tweeënzeventig kinderen zijn leerkracht geworden en geven les op de scholen. Er zijn verpleegsters, een vroedvrouw, administrateurs, advocaten, monteurs. “Het is mooi dat mensen terugkomen en mee willen doen voor de volgende generatie. Wij zijn hier niet gekomen om kinderen te redden, dat was niet ons doel. Maar hoe kun je het evangelie verkondigen en niet zorgen voor kinderen die aan het verhongeren zijn. Zeg je dan tegen een kind: ‘God houdt van je, ik zal voor je bidden, prijs de Heer’ en loop je weg in de hoop dat het kind er over een paar weken nog is? Nee, we nemen het mee om het te verzorgen.”
Storm wijkt
De boeddhisten en moslims in de omgeving weten het. God is met Ronny en Kay. “We waren cement aan het storten voor de bouw van een trainingscentrum met een oppervlakte van zevenhonderd vierkante meter. Ik was op pad om meer bouwmaterialen te kopen. Er dreigde een storm en er zou zes tot tien centimeter regen kunnen vallen. Cement en regen gaan niet samen, alles zou worden verwoest en we zouden het geld kwijt zijn. Warren, een zendeling die hielp bij de bouw, zag de storm aankomen als een locomotief. Hij ging staan met zijn handen omhoog en zei: ‘In Jezus’ naam, storm, ga voorbij.’ Ingehuurde bouwers, boeddhisten en moslims, keken nieuwsgierig toe. Ineens rukte de storm naar links, net alsof iemand eraan trok. Links regende het keihard, maar het cement bleef droog. De kaak van de bouwlieden hing bijna op de grond, zo verbaasd waren ze. Toen ik thuiskwam, zeiden de jongen: ‘Pa, je had hier moeten zijn’. Ze waren zo enthousiast.”
Twee weken later gebeurde hetzelfde. Warren was er niet, maar de jongens van ons project wel. Ze zeiden: ‘Warren is er niet, maar wat hij kan, kunnen wij ok in Jezus’ naam.’ Allemaal deden ze hun handen in de lucht en zeiden: ‘Storm, ga voorbij.’ Iedereen bleef kijken wat er zou gebeuren. De regen kwam aan onze grens en splitste toen in tweeën. De helft ging links voorbij, de andere rechts. Moslims en boeddhisten vielen op hun knieën en smeekten: ‘Vergeef ons’ en ze zeiden: ‘We willen gedoopt worden’. Het bericht ging overal rond. De mensen in de buurt zeggen: ‘Met hen moet je niet rommelen, hun God is bij hen’.”

Levens zijn op Borneo heel goedkoop als je Jezus niet kent, ziet Ronny. “Kinderen met HIV worden aan hun lot overgelaten of in het oerwoud gedumpt. Als ze tot geloof komen, dan leren ze wat de waarde is van elk leven. Elk kind is gecreëerd in Gods gelijkenis, niet om in het oerwoud achtergelaten te worden. Maar iemand moet ze de gelegenheid geven om dat te ontdekken. Daarom snap ik dat God ons hier geroepen heeft. We zijn gehoorzaam gegaan, ondanks dat we niet wisten wat we gingen doen. Vaak willen mensen wel doen wat God wil, maar eerst willen ze uitleg van Hem. Als je dat wilt, heb je geen geloof meer nodig. Geloof is vertrouwen op Hem zonder dat je weet wat je moet doen. Daarom is het belangrijk dat wij Hem gehoorzamen.”
Veel mensen van de Dajak-stammen komen tot geloof. Soms krijgen de gemeentestichters moeilijkheden met de toverdokter, die de macht heeft in de stam. Maar als een toverdokter tot geloof komt, dan komt bijna de hele stam tot Christus. Dat is al een paar keer gebeurd. Dat zijn echt ambassadeurs voor de Heer en het is een wonder dat door Hem verricht wordt. Wij zien Zijn macht.”
Lees meer over het project Living Waters Village op Borneo
Lees ook het eerste deel van Ronny’s verhaal: Ronny verloor zijn vrouw, maar bleef vertrouwen op God: “Ik heb geleerd dat we God niet hoeven te begrijpen” (deel I) – Revive

