Het was een grote stap in geloof: met vier kinderen en een caravan vertrekken naar Griekenland. Maarten en zijn vrouw Jeanine hadden nog geen werk, geen huis, geen vrienden, geen inkomen, niks. “We zijn gewoon weggereden.” Dat was 2015. Hoe is het tien jaar later met hen? “Het is pittig om in afhankelijkheid van God te leven, maar we kijken altijd hoe we tot zegen kunnen zijn.”
De Grieken vonden het maar raar. ‘Pensionadi’ uit West-Europa die zich in hun land vestigen, kenden ze wel maar een jong gezin? Dat hadden ze nog niet vaak meegemaakt. Jonge Grieken verlaten het land juist, vaak ook richting Nederland, op zoek naar een betere toekomst. Zelf is Maarten geboren in Athene bij Griekse ouders. Toen hij drie maanden was, werd hij geadopteerd door een Nederlands echtpaar.
In Nederland werkte Maarten voor het Koninklijk Huis, met name voor koningin Beatrix. Hij begon op het Binnenhof voor de minister-president. Na twee jaar verhuisde hij naar Buitenlandse Zaken. “Ik bereidde de werkbezoeken voor majesteit in Zuid-Europa voor: Spanje, Italië en Griekenland. Ik maakte een werkprogramma en koningin Beatrix schreef er dan bij waar ze meer over wilde weten, met wie ze wilde praten en we niet. Ze was daar heel duidelijk in, ik hoefde nooit te gokken wat ze wilde. Ik stemde dat verder af met de Nederlandse ambassade in het land waar het werkbezoek plaats zou vinden. Dat was ontzettend leuk om te doen. Toen Willem-Alexander staatshoofd werd, kreeg ik een andere plek.”
Rijksgebed
Zo werkte Maarten ook op het ministerie voor Economische Zaken en Justitie. En hij startte twintig jaar geleden met het Rijksgebed: christelijke ambtenaren en politici bidden tijdens een lunchpauze samen voor hun werk, collega’s en het land. Deze voorbede voor Nederland vindt nog steeds wekelijks plaats.
Hij had dus een belangrijke positie, werk waarvoor veel Grieken een moord zouden doen. Dat hij dit achter zich liet om in het veel armere Griekenland te wonen met zijn gezin, begrijpen de bewoners van dat land dan ook niet. “Ik werkte voor een koning, maar nu voor een andere Koning.”
Er was nog een reden waarom het gezin Verhoef verhuisde. “Onze tweede zoon werd steeds verschrikkelijk ziek door de luchtvervuiling in Nederland. Bijna wekelijks waren we in het ziekenhuis vanwege een astma-aanval. Vanwege de medicatie kreeg hij ook enorme hoofdpijn. Een arts zei: ‘Als u iets met zijn gezondheid wilt, moet u Europa uit’. Maar waar ga je dan naartoe? We hadden geen idee.”
Uitputtingsslag
Het gezin ging al regelmatig op vakantie naar Griekenland en had toen nog goed contact met Maartens biologische familie. Binnen vier weken verkopen ze alles en stappen ze in de auto, het echtpaar, dochter Dámaris (8) en de zoons Jónathan (6), Andréas (4) en Gídeon (1,5). “We zouden net zolang rijden tot we een plek zouden vinden waar we wilden blijven.” Achteraf vindt Maarten deze beslissing “redelijk idioot”. “We hadden geen huis, geen werk, ik sprak maar een klein beetje Grieks, we stonden nergens meer ingeschreven. Het heeft een enorme uitputtingsslag gegeven. Ik zou mensen niet adviseren het zo te doen, maar God heeft ons overal doorheen geloodst.”
Het gezin verblijft een hele tijd in de caravan. “Dat was op een gegeven moment niet meer handig met zijn zessen. We konden een leuk huis huren in een aardige buurt en we zijn een bakkerij in stroopwafels gestart.” Tijdens de coronaperiode is de winkel veel dicht. “Het werd anders. Er kwamen nooit meer mensen in de winkel zelf. Ik bakte en stuurde de bestelling op.”

Zomerhuis
Inmiddels bewoont het gezin een koophuis, een heel oud zomerhuis in de omgeving van Messolonghi, dat ze hebben verbouwd. Het is op loopafstand van zowel de familie van Maartens moeder als van zijn vader. Ga je op de kruising links, dan woont daar de ene familie en rechts de andere. Maar er is geen contact meer met de Griekse familieleden. “Onze familie wil niets weten van de Here Jezus, daardoor is het contact vastgelopen. Dat is het kruis dat ik op me moet nemen.”
Af en toe komen ze elkaar tegen. “Ik ben mijn vader twee keer tegen het lijf gelopen en dat leverde een enorme scheldpartij op. Dat is heel akelig en ook heel jammer. Ik nodig hem uit voor koffie en zou best meer zorg voor hem willen dragen, hij is inmiddels vijfentachtig. Maar hij wil het niet. Zijn tweede vrouw is heel aardig, die probeert het contact nog een beetje fatsoenlijk te houden. Maar mijn vader spreekt nooit de waarheid en ik heb dat meteen in de gaten. Ik zeg tegen mezelf: ‘Ja Maarten, dit gaat ook niet. Hij heeft niks met Jezus en niks met de waarheid.’ Voor Grieken is een leugentje om bestwil normaal. Je raakt ook niet snel bevriend met Grieken, ook al kennen we allemaal de taal. Mensen in de buurt zijn kennissen, geen vrienden. Je wordt nooit close.”
Vluchtelingen
In de beginperiode zien ze veel vluchtelingen die vanuit Turkije naar Noord-Europa lopen. Toen de grenzen op een gegeven moment gesloten werden, zaten zo’n tienduizend mensen vast. “Er waren geen wc’s en douches. We hebben het een en ander opgetuigd en zijn elke dag gaan koken voor de mensen. Na afloop liep ik een rondje langs de tentjes, waar ik boekjes over Jezus uitdeelde in het Farsi, Urdu en Turks. Ook gaven we kleding, speelgoed en schoenen.”

Huize Verhoef staat ook open voor mensen met een kleine beurs die ziek zijn of heel eenzaam. “We hebben in totaal meer dan zeventig mensen in huis gehad. Velen van hen hadden niks met God of geloof. We haalden mensen soms op van het vliegveld. De een was ongeneeslijk ziek en had geen familie meer. Een ander had niet-aangeboren hersenletsel. Die hadden extra zorg nodig, dat gaf wel gedoe, maar we probeerden ons toch uit te strekken naar die mensen en tot zegen te zijn. Er kwam ook een jongen uit Nederland die zich heel wanhopig voelde en graag wilde komen bijtanken. Hij kende de Here Jezus niet maar volgde bij ons bijbelstudie en hielp bij het uitdelen van traktaatjes. Uiteindelijk heeft hij Jezus aangenomen als zijn Redder.”
Gevangenen
Maarten en Jeanine hebben ook oog voor gevangenen in Griekenland. “We zijn begonnen met Nederlanders die hier gevangen zitten, altijd vanwege drugs. Voor de Nederlandse ambassade zijn zij geen prioriteit.” En ook voor gevangen vluchtelingen staat Maarten klaar. “Veel van hen zijn moslim of niks. We nemen Bijbels mee in allerlei talen en bidden met de mensen. Ook geven we bijbelstudie. “Er was een jongen uit Pakistan die wel een beetje bekend was met alle religies maar nergens aan was verbonden. Hij had gehoord van Jezus maar had er niks mee. Toen we vertelden dat Hij ook voor zijn zonden aan het kruis was gegaan, werd hij geïnteresseerd, want hij had heel erg gezondigd, vertelde hij. We vertelden dat hij met zijn verhaal naar God kan gaan en vergeving kan vragen. Hij wilde heel graag meer leren en komt elke week naar de bijbelstudie. Nu heeft hij Jezus ook als persoonlijke Redder in zijn hart en hij getuigt hierover aan medegevangenen.”

Ze bezoeken ook de vrouwengevangenissen. “Er zitten ook jonge meiden uit allerlei landen, afkomstig uit gebroken gezinnen. Ze hebben geen familie in de buurt en krijgen geen bezoek. We moeten zes uur rijden om mensen een half uurtje te spreken en voor hen te bidden.”
Maarten spoorde nog een Nederlandse vrouw op die de ambasssade was ‘kwijtgeraakt’. Een Nederlandse mevrouw was in een politiebureau opgesloten, in een cel met alleen een betonnen bed en stoel. Ze was schizofreen en al haar medicijnen waren afgepakt, waardoor ze helemaal warrig was in haar hoofd. Ze hoorde van niemand wat. Ik heb haar zelf opgesnord, daar ben ik nogal voortvarend in. Als ik iets wil weten, dan vraag ik het in mijn gebroken Grieks. Ze was heel blij dat iemand naar haar omkeek.”
Bakkerij
Maarten werkt in de bakkerij, Jeanine geeft les aan een Amerikaanse school. Hun oudste van achttien is afgestudeerd aan de highschool en gaat nu naar de universiteit. Maartens zoon is overigens nooit meer ziek geweest en heeft ook geen medicijnen meer gebruikt. “Er zijn hier ook geen fabrieken, er is weinig verkeer. We wonen in het buitengebied, omringd door olijfbomen.” De zoons zijn inmiddels zestien, veertien en elf. “Zij vinden hun Griekse leeftijdsgenoten niet altijd leuk, het mengt niet goed. Ze spreken wat af maar de Griekse jongeren komen dan niet opdagen. Dat is een mentaliteit die we zelf niet hebben.”
De stroopwafelbakkerij is onderwerp van een stripboekje geworden dat Maarten heeft gemaakt. “We hebben ons verhaal op een speelse manier weergegeven en daarin het Evangelie verwerkt. Evangeliseren mag niet in Griekenland, maar dit is zo’n speelse manier dat we er nooit gezeur over hebben gehad. We delen de boekjes uit en stoppen ze bij de bestellingen. Zo bereikt het Evangelie heel veel mensen.”

Hoe verder?
De bakkerij levert nog wel wat kopzorgen op. “We zouden moeten uitbreiden om genoeg inkomen te genereren. Ook hier wordt alles duurder. Maar heel groot is onhaalbaar en heel klein levert niks op. We zijn op zoek naar iets anders en ons gebed is: Heer, hoe wilt U dat we verder gaan?”
Het is gewoon de volgende fase in hun leven, zegt Maarten. “Ik ben dankbaar dat ik de bakkerij heb, iedere keer zijn er weer bestellingen. Ik werk keihard maar of ik dit kan blijven doen tot aan mijn Griekse pensioen? Ik ben zesenvijftig jaar en moet nog twaalf jaar doorwerken. Maar God doet altijd bijzondere dingen. Als je het echt niet meer weet, dan komt er weer wat. We leven in complete afhankelijkheid. Het lijkt mooi, maar levert ook stress op, want we moeten rekeningen betalen. Ja, het is pittig om hier te leven zonder familie en vrienden en zonder goede baan. Toch zijn we dankbaar voor alles wat we ontvangen. We kijken altijd naar hoe we tot zegen kunnen zijn.”





