In een tijd waarin velen zoeken naar richting en geestelijke verdieping, ziet Jan Pool tekenen van opwekking en deelt hij drie essentiële sleutels die volgens hem cruciaal zijn voor de toekomst van het christendom in Nederland. Daarbij spreekt hij vanuit ervaring én verwachting.
Naast het bewust opzoeken van woestijnperiodes deelt Jan nog drie sleutels waar we als kerk in Nederland mee aan de slag kunnen. Jan ziet in dat we in een bijzondere tijd leven, en dat vraagt om specifieke focus.
‘’Zo’n 35 jaar geleden kwam ik op een leidersconferentie, geleid door o.a. Floyd McClung en Kees Goedhart. Jean Darnall profeteerde over opwekking in Nederland en dat Nederland de poort zou zijn naar Europa toe. Ik heb altijd geloofd: ik ga dat meemaken in mijn leven. Dat geloof heb ik gewoon vastgehouden, de afgelopen 35 jaar.’’
‘’Ik heb al die tijd niet veel zien gebeuren. Ik heb wel af en toe een fikkie ergens gezien, maar niet dat ons land echt een opwekking meemaakt. Ik heb nu sinds een paar jaar het gevoel van, het is niet de vraag of hij komt, want hij is er al. De opwekking is al begonnen. We zien de eerste vruchten al bij jongeren op dit moment en ik geloof dat dit verder zal gaan, dat we echt een lange periode van opwekking gaan meemaken.’’
1. Ruimte maken voor Gods tegenwoordigheid
De eerste kernwaarde en sleutel is volgens Jan Pool: ‘’De kerken moeten bezig zijn met de vraag: hoe kunnen we Gods tegenwoordigheid in onze kerk krijgen? Het is cruciaal dat de kerk een plaats is waar je God kunt ontmoeten, waar Hij aanwezig is. Als de kerk zonder Gods tegenwoordigheid functioneert, mist ze haar belangrijkste bestaansrecht.’’
‘’Ik kom in allerlei soorten kerken, ook kerken die de naam pinkster dragen, evangelisch dragen, en ik ervaar soms zo weinig van Gods aanwezigheid en van het werk van de Heilige Geest. Dus de leiders moeten nadenken hoe we een klimaat kunnen scheppen waarin God komt en de ruimte kan krijgen.’’
2. Discipelschap in eigen huis
De tweede sleutel gaat over discipelschap: ‘’Opwekking betekent dat de kerk klaar moet staan om al die nieuwe bekeerlingen te discipelen. Ik denk dat de Kerk de gave van discipelen maken wat is kwijtgeraakt. Terwijl de kerk toch bedoeld is als broedplaats voor het maken van discipelen. Als we willen dat Nederland een geweldige opwekking meemaakt, dan moet de kerk wel zijn netten klaar hebben. Dat kunnen we niet alleen overlaten aan Bijbelscholen. Hoe belangrijk hun bijdrage ook is, het ontslaat de lokale kerken niet van hun verantwoordelijkheid om discipelen te maken en hier een visie voor te ontwikkelen.’’
Jan benadrukt het belang van verantwoordelijkheid nemen binnen de eigen gemeenschap:
“Ik heb altijd gezegd: ik ben verantwoordelijk voor de opvoeding van mijn kinderen. Ik wil DNA achterlaten in mijn kinderen. Ik stuur ze wel naar school toe, maar ik laat niet die school uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor de opvoeding.”
Hij vertelt verder: “Op school leren ze dingen waar ik het niet mee eens ben. Dus ik ben verantwoordelijk. Dat is voor de kerk ook zo. Dus prima, een bijbelschool als een extraatje om ze dingen te leren. Maar ga zelf nadenken: hoe kan ik zelf het goede DNA hier neerleggen in gemeenteleden om een volgeling van Jezus te worden.”
Jan vervolgt: “We moeten iets ontwikkelen waardoor we mensen die van het geloof komen, kunnen helpen om een volgeling van Jezus te worden. Praktisch gezien: ga eens praten met Martin Koornstra, die al jarenlang discipelschapsscholen heeft. Laat ze binnenkomen. Laat ze misschien een op maat gemaakt discipelschapsmodel voor jouw kerk creëren.”
3. De kracht van kleine communities
Als derde haalt Jan het belang aan van kleine gemeenschappen (communities): “Corona heeft aan het licht gebracht hoe afhankelijk we eigenlijk zijn als kerk van die zondagochtend-samenkomst. Dat vond ik eigenlijk treurig om te zien. De kracht van de kerk moet zijn, dat ook als we niet op zondagochtend bijeen kunnen komen, de kerk evengoed doorgaat.”
Volgens Jan kan dat door op een nieuwe manier naar gemeenschap te kijken: “Ik geloof niet meer in het oude systeem van huisgroepen. Zo van: elke woensdagavond komen we om acht uur bij elkaar en we drinken koffie en dan geeft er iemand een bijbelstudie en we zingen nog een liedje natuurlijk met elkaar.”
Voor Jan betekent ‘community’ iets kleinschaliger en flexibeler: “Vijf tot zeven mensen die met elkaar verbonden zijn. Die zitten samen in een appgroep en die spreken iedere keer per keer af welk moment ze willen bij elkaar komen. Jongeren willen graag flexibel zijn. Dan ga je praten met elkaar. En dan komt er iemand die ergens op vastloopt. Dan ga je voor elkaar bidden en over elkaar profeteren. In die community vindt ook weer dat discipelschap plaats. Want je discipelt uiteindelijk ook elkaar.”
Hij sluit af: ‘’Het unieke van kerk zijn is dat mensen samenkomen in Gods tegenwoordigheid en een gemeenschap vormen. Met andere woorden: de kerk als een grote familie die elkaar helpt, samen eet, samen optrekt, samen lacht, samen huilt, samen bidt, samen groeit, en samen buren en vrienden over Jezus vertelt. Als dit soort gemeenschap ontbreekt, is het kloppend hart weg en sterft de gemeente.’’
Met deze sleutels in handen ligt er een uitnodiging voor elke kerk in Nederland: om wakker te worden, ruimte te maken voor Gods Geest, en zich klaar te maken voor wat al begonnen is.




