Dit minderheidskabinet, gesteund door partijen als GroenLinks-PvdA en DENK, lijkt via een juridisch omstreden boycot een gerichte vendetta tegen Israël te varen. Dat roept de vraag op waarom hier wel zo vergaand wordt opgetreden, terwijl ernstiger situaties elders buiten schot blijven.
Tekst: Johan van den Top
Kabinet-Jetten kondigt boycot tegen het Bijbelse hartland aan
Op 22 mei 2026 maakte het kabinet bekend te werken aan een import- en handelsverbod op goederen afkomstig uit wat wordt aangeduid als “onrechtmatige Israëlische nederzettingen”. De maatregel richt zich specifiek op producten uit Oost-Jeruzalem, Judea en Samaria: het Bijbelse hartland van het Joodse volk.
Opvallend is dat landen die juridisch wél onder zware sancties kunnen vallen worden ontzien, terwijl juist een regio zonder duidelijke juridische grondslag zwaar wordt aangepakt. Het riekt mij persoonlijk naar eenzijdigheid en activisme tegen Joden. Waarom deze harde conclusie?
Het besluit in context
Op 22 mei werd een ontwerpregeling voor een “Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen” naar de Raad van State gestuurd. De maatregel is niet slechts symbolisch: het gaat om strafrechtelijk afdwingbare beperkingen voor Nederlandse bedrijven en organisaties. Volgens[1] de Rijksoverheid wordt het straks strafbaar om goederen te importeren of te verhandelen die onder dit verbod vallen. Daarmee gaat de maatregel duidelijk verder dan politieke verklaring of symbolische boycot.
Schade voor Joden én Palestijnen
Het beleid lijkt een gerichte economische druk op Joodse gemeenschappen in Jeruzalem, Judea en Samaria, en op organisaties zoals Christenen voor Israël en Heartlandnow!, die via productaankopen betrokkenheid bij deze regio mogelijk maken.
Tegelijk lijkt de impact breder dan bedoeld. De term “onrechtmatige Israëlische nederzettingen” is juridisch en praktisch niet scherp afgebakend, terwijl de economie in de regio sterk verweven is. Arabische werknemers en leveranciers maken vaak onderdeel uit van dezelfde productieketens. Daardoor raken sancties niet alleen Joodse bedrijven, maar ook Palestijns-Arabische families die economisch afhankelijk zijn van deze samenwerking.
Eeuwenoude Joodse aanwezigheid genegeerd
Ook historische Joodse bedrijven, soms al sinds de Ottomaanse tijd actief in en rond Jeruzalem, worden geraakt. Het kabinet lijkt daarbij onvoldoende rekening te houden met de lange, ononderbroken geschiedenis van deze ondernemingen, die verschillende politieke periodes hebben overleefd: van Ottomaanse en Britse tijd tot Jordaanse overheersing, en vaak al bestaand vóór de opkomst van het moderne Palestijnse nationalisme in de jaren ’60. Daarmee is het besluit niet slechts economisch, maar ook een politieke en morele aanklacht tegen Joodse aanwezigheid in Jeruzalem, Judea en Samaria. Het raakt ondernemingen met een diepe historische verankering in de regio.
Als reactie op dit kabinetsbesluit heeft Andrew Tucker van Thinc. (The Hague Initiative for International Cooperation) een zeer sterke analyse[2] geschreven (leestip!). Hij legt precies de vinger op de zere plek.
De rechter bevestigd: juridisch drijfzand
Voorstanders stellen dat Nederland hiermee internationaal recht handhaaft. Toch is de vraag of de maatregel juridisch uberhaupt is onderbouwd.
Het kabinet baseert zich op de Sanctiewet 1977 via een Algemene Maatregel van Bestuur. Daarvoor is een duidelijke internationale rechtsgrond nodig, zoals een bindende VN-resolutie of verdrag in multilateraal verband. Die ontbreekt hier.
Huidige VN-resoluties verplichten niet tot een import- of handelsverbod. Ook heeft de Nederlandse staat eerder erkend dat zo’n verbod zonder expliciete internationale basis juridisch kwetsbaar is. Het Gerechtshof Den Haag bevestigde[3] dit recent nog op 6 november 2025: toepassing van de Sanctiewet vereist een concrete internationale rechtsgrond, zoals een bindende VN-resolutie. Daarmee is het moeilijk vol te houden dat deze maatregel stevig juridisch verankerd is.
De vraag is dan hoe consequent dit instrument wordt toegepast, zeker wanneer wordt gekeken naar landen waarop de Sanctiewet 1977 wél van toepassing is, zoals Noord-Korea, Iran, Syrië, Soedan, Zuid-Soedan, Congo, Mali, Libië (historisch) en Eritrea.
De hamvraag: waarom alleen Joodse nederzettingen?
De centrale vraag bij dit beleid is waarom juist voor deze aanpak is gekozen. Is er in Nederland eerder een vergelijkbare, algehele boycot of importmaatregel tegen een land of regio geweest? Het korte antwoord is nee.
Voor zover bekend bestaat er geen precedent voor een maatregel van deze omvang, ook niet in andere internationaal gevoelige situaties. Sancties tegen landen als Noord-Korea, Iran en Syrië bestaan in de praktijk vooral uit gerichte maatregelen: wapenembargo’s, bevriezing van tegoeden en beperkingen op specifieke goederen. Nederland handelt daarbij doorgaans in EU-verband, niet via een zelfstandig import- en handelsverbod zoals hier nu wel gebeurt.
Tegen die achtergrond versterkt zich het beeld van dubbele standaarden: landen die wél zwaar gesanctioneerd kunnen worden blijven buiten schot, terwijl tegen Joodse bedrijven en gemeenschappen zonder duidelijke juridische basis juist vergaand wordt opgetreden. Geen Iran, Noord-Korea of Soedan; geen Westelijke Sahara (Marokko), Noord-Cyprus (Turkije) of Tibet (China): nee alleen Oost-Jeruzalem, Judea en Samaria…
Deze selectieve eenzijdige maatregel is niet eerder vertoond en in mijn optiek zegt dat veel. Of laat ik het wat afzwakken: het maakt de gekozen aanpak in elk geval opvallend en roept vragen op over de onderliggende afwegingen.
Sterke associatie met de definitie antisemitisme
Dit patroon van selectieve verontwaardiging en dubbele maatstaven past naadloos binnen de internationaal erkende IHRA-definitie[4] van antisemitisme, in 2017 door Nederland omarmd. Daarin worden onder meer dubbele standaarden, collectieve schuld en het ontzeggen van Joods zelfbeschikkingsrecht als vormen van antisemitisme benoemd.
Het gaat daarbij niet alleen om expliciete uitspraken, maar ook om een structureel zwaardere beoordeling van Israël dan andere landen in vergelijkbare of ernstigere situaties: dubbele standaarden.
Dubbele standaarden
Tegen die achtergrond is het een gegeven dat als dit kabinet Joodse bedrijven en gemeenschappen in Jeruzalem, Judea en Samaria doelgericht en eenzijdig aanpakt, terwijl vergelijkbare of ernstiger situaties elders buiten beschouwing blijven, dit verder gaat dan gewone politieke kritiek. Tegen die achtergrond zie ik hier geen rechtsstatelijk handelen maar politieke willekeur met een wrange en nare bijsmaak. Het ziet er dan uit als activisme gericht tegen Joden als volk.
Een dieper perspectief
Als christenen mogen we hierin echter ook een diepere laag zien. Judea en Samaria vormen het hart van Gods verbond met Abraham, Isaak en Jakob (Genesis 12:7, 13:15, 17:8). De Joodse terugkeer is letterlijk een vervulling van profetie (Ezechiël 36-37).
Zacharia 12:2 spreekt van Jeruzalem als “beker van bedwelming” voor alle volken. De nu te boycotten wijn uit Jeruzalem wordt hiermee letterlijk een symbool van bedwelming. We zien opnieuw hoogmoed en leugens tegen het Joodse volk opkomen. Als land zijn wij ons morele kompas kwijtgeraakt.
God zei tegen Abraham: “Ik zal zegenen wie jou zegenen, maar wie jou gering acht, zal Ik vervloeken” (Genesis 12:3).
Ook in het Nieuwe Testament blijft dit verbond zichtbaar. Paulus schrijft in Romeinen 11:1 en 11:29 dat God Zijn volk niet heeft verstoten en dat “de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn”. Hij waarschuwt tegen hoogmoed van de volken tegenover Joden, maar hen te eren als de natuurlijke takken van de olijfboom waaraan wij als wilde takken zijn geënt (Romeinen 11:17-18). Jezus zegt: “Het heil komt uit de Joden” (Johannes 4:22).
Dit besluit gaat daarom niet enkel om vijandigheid, maar ook om het subtiel geringschatten van Gods waarheid en Zijn profetische beloften. Wie het Joodse volk kleinacht, stelt zich tegen Gods eigen plan.
Oproep
Nederland zou dit besluit moeten intrekken en kiezen voor dialoog, erkenning van historische rechten en eerlijke samenwerking, ook met oog voor de Palestijns-Arabische economie die juist baat heeft bij verbinding.
Bid om wijsheid in Den Haag en voor de vrede van Jeruzalem (Psalm 122).
Gods beloften staan vast. Laten we aan de kant van de zegen staan.
Am Yisrael Chai
Johan van den Top
SolidarityWalk.com
[1] https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2026/05/22/kabinet-stuurt-sanctiebesluit-tegen-illegale-israelische-nederzettingen-naar-raad-van-state
[2] https://thinc-law.org/nl/artikelen/tijdelijk-sanctiebesluit-nederlands-regering-onrechtmatige-nederzettingen-in-de-door-israel-bezette-gebieden
[3] https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2290
[4] https://holocaustremembrance.com/resources/de-werkdefinitie-van-antisemitisme-van-de-ihra




