Voor Ravenna Kotadiny is de erkenning van het Molukse leed niet alleen een politieke kwestie. Als Molukse christen en fractievertegenwoordiger voor de ChristenUnie in Amsterdam-Zuidoost zag zij van dichtbij hoe het onderwerp de afgelopen weken in beweging kwam. “Ik geloof oprecht dat dit de hand van God is.”
De Tweede Kamer stemde afgelopen week met grote meerderheid in met een motie van ChristenUnie-Kamerlid Don Ceder voor onafhankelijk onderzoek naar de komst van de Molukkers naar Nederland, hun 75 jaar in Nederland en de doorwerking daarvan tot vandaag. Gisteren bood premier Rob Jetten bij de onthulling van het Nationaal Monument Ulu Kora in Rotterdam excuses aan namens de regering.
Maar Kotadiny kijkt verder dan deze politieke mijlpaal. “Erkenning is mooi,” zegt ze, “maar erkenning alleen is leeg. Excuses zijn ook leeg als er geen inhoud aan wordt gegeven. Alleen God kan echte heling en genezing brengen.”
Boot
In 1951 kwamen ruim 12.500 Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen naar Nederland. Voor velen zou het verblijf tijdelijk zijn. “Er is beloofd dat het Molukse volk zes maanden in Nederland zou blijven,” vertelt Kotadiny. “Wat tijdelijk was, werd voor altijd. Dat is een van de pijnen.”
Haar eigen opa diende bij de marine. “KNIL en marine: daar zit allebei pijn. De rangen werden afgenomen, mensen werden in barakken geplaatst, families werden afgesneden van wat hun was beloofd. Er zit heel veel pijn bij ons volk.”
Die pijn loopt dwars door generaties heen. Kotadiny noemt de misleiding, het verlies van waardigheid en het uitblijven van de onafhankelijke Molukse staat. Toch benadrukt ze ook de verbondenheid binnen de gemeenschap. “Er zijn verschillende groepen ontstaan, maar de gemeenschappelijke deler is: we zaten allemaal op dezelfde boot.”
Gebed
Toen binnen de ChristenUnie het gesprek op gang kwam, vond Kotadiny één ding belangrijk: dit onderwerp moest gedragen worden door gebed. Vanuit haar betrokkenheid bij de ChristenUnie in Amsterdam en als Molukse vrouw bracht zij het onder de aandacht. Daarbij wees ze erop dat ook christelijke leiders uit de Molukse gemeenschap moesten worden betrokken.
“Als het gaat om erkenning, pijn en heling, kan alleen God dat brengen,” zegt ze. “Gebed is de hoofdmotor van alles. Zonder God kunnen we niks.” Ook na de politieke doorbraak, waarvan ze gelooft dat de hand van God hierin zichtbaar is, wil Kotadiny dat gebed centraal blijft staan. Ze wil samen met kerkleiders, christenen en iedereen die wil aansluiten samenkomen voor gebed. “Dit is zo’n groot en zwaar onderwerp. We moeten dit helemaal met Hem doen.”
Mét ons
De motie in de Tweede Kamer gaat over onderzoek doen naar de geschiedenis van de Molukse gemeenschap, de komst naar Nederland en de doorwerking daarvan in het heden. Voor Kotadiny is dat belangrijk, juist omdat er nog altijd weinig kennis is over deze geschiedenis. “Op scholen wordt dit nauwelijks gedeeld,” zegt ze. “Mensen vragen nog steeds: waar komen jullie vandaan, wie zijn jullie? Terwijl onze mensen voor Nederland hebben gestreden. Heel weinig mensen kennen onze geschiedenis.”
Daarom hoopt ze dat het onderzoek zorgvuldig wordt gedaan. Niet alleen met wetenschappers, maar ook met de verhalen van de eerste generatie, met het Moluks Museum en met bronnen uit de gemeenschap zelf. “Niet over ons praten, maar met ons,” zegt ze beslist.
Reacties
De reacties binnen de Molukse gemeenschap zijn volgens Kotadiny gemengd. Veel mensen zijn dankbaar dat er eindelijk beweging is. Anderen reageren emotioneel, boos of verdrietig. “Bij sommigen komt de pijn juist naar boven,” vertelt ze. “Er zijn ook mensen die weinig vertrouwen hebben in de overheid, omdat er al vaker dingen zijn gezegd.”
Toch ziet ze ook dat mensen hoopvol zij. “Heel veel mensen zeggen: eindelijk wordt er naar ons gekeken. Eindelijk hebben we het gevoel dat we worden gehoord.” Haar eigen ouders reageren blij en dankbaar dat er een eerste stap is gezet. “Mijn moeder zat als vijfjarige kleuter op het schip. Mijn vader is evangelist. Ook hij zegt: ‘Alles staat of valt met gebed’.”
Daden
Premier Jetten benadrukte gisteren bij de onthulling van het Nationaal Monument Ulu Kora dat excuses pas betekenis krijgen door de daden die erop volgen. Dat deed Kotadiny goed. “Wat mij het meest heeft geraakt, is dat hij zei: ‘U wordt gezien’.”
Voor haar hoeven excuses niet los te staan van onderzoek en vervolg. “Eerst grondig onderzoek, daarna erkenning en excuses,” zegt ze. “De vraag is: hoe worden wij meegenomen in dat onderzoek? Er zijn genoeg wetenschappers binnen de Molukse gemeenschap, maar ook de verhalen van de eerste generatie moeten worden meegenomen.”
Hoop
Ook financiële genoegdoening vindt zij geen taboe. “De KNIL-militairen hebben voor Nederland gevochten en nooit pensioen gehad. Mijn opa en oma leven niet meer. De eerste generatie wordt steeds kleiner. Dan moet je ook kijken naar de tweede generatie, naar wat zij hebben meegemaakt.”
Hoewel het onderwerp zwaar is, klinkt in Kotadiny’s woorden steeds opnieuw hoop. Niet omdat de overheid het leed kan herstellen, maar omdat God volgens haar het laatste woord heeft. “Wij moeten in de bres staan voor dit onderwerp en voor ons volk,” zegt ze. “Iedereen eromheen mag zien dat hoop in Hem is. Alles wat we doen, moet in gebed gebeuren. Want zonder God kunnen we niets.”

