De Pakistaans-Nederlandse voorganger Imran werd in zijn eigen land gevangengehouden door moslimterroristen en gemarteld. Ze beloofden hem vrijheid als hij Jezus zou verloochenen maar dat weigerde hij. Door een wonder kon hij ontsnappen en hij vluchtte met zijn familie naar Nederland. Hij is blij met de vrijheid, maar ziet ook dat kerken leegstaan. “Vroeger brachten mensen uit het Westen het evangelie naar het Oosten. Nu lijkt het alsof God mensen uit het Oosten naar het Westen brengt om het evangelie hier weer te delen.”
“Ik werd geboren in een christelijke familie. In Pakistan is het leven voor christenen heel moeilijk. In het verleden was er ook al discriminatie, maar in de laatste tien tot twintig jaar is de vervolging sterk toegenomen. Iedere christen in Pakistan krijgt ermee te maken. Als voorganger was mijn leven ook niet gemakkelijk. Op een dag werd ik aangevallen door een groep die connecties had met moslimerroristen. Ik werd ontvoerd en vastgehouden in een soort geïmproviseerde gevangenis. Het was geen officiële gevangenis. Ik zat daar alleen en kende niemand. Af en toe kwamen er twee of drie bewakers langs, allemaal moslims die bij een terreurgroep hoorden. Ze sloegen me en probeerden me te dwingen mij tot de islam te bekeren. Ze zeiden dat ik een nieuw leven zou krijgen als ik zou stoppen met het prediken van het christelijk geloof.
Maar ik zei tegen hen dat ze mijn lichaam konden doden, maar mijn ziel niet. Mijn ziel behoort aan Jezus. Dat maakte hen boos en ze begonnen me te mishandelen. Ze sloegen me met stokken en soms gaven ze me geen eten. Eén van de ergste dingen die ze deden, was een metalen emmer op mijn hoofd zetten en daar met een stok van alle kanten tegen slaan. Dat deden ze soms urenlang. Het geluid was oorverdovend en ik had lang daarna nog last van duizelingen.
Een wonder
Ik zat daar ongeveer acht tot tien maanden. In die tijd wist ik niet wat er met mijn familie gebeurde. Ik maakte me constant zorgen over hen. Toch verloor ik mijn geloof niet. Ik bad elke dag en zong liederen en psalmen die ik uit mijn hoofd kende. Dat gaf me kracht. Op een dag, terwijl ik bad en God om hulp vroeg, gebeurde er iets bijzonders. Ik hoorde als het ware “halleluja” en terwijl ik bad viel er een muur van de kamer om. Daardoor kon ik ontsnappen.
Ik rende urenlang weg van die plek. Uiteindelijk zag ik ergens licht en kwam ik een man tegen die ’s nachts de straten bewaakte. Hij dacht eerst dat ik een bankrover was, omdat ik een lange baard had en in gescheurde kleren liep. Maar ik overtuigde hem door te zeggen dat ik hulp nodig had. Ik mocht één telefoontje plegen en belde het nummer van mijn broer, dat ik nog uit mijn hoofd kende. Hij en familieleden moesten tweeëneenhalf uur rijden om mij op te halen. Via een kerk kon ik onderduiken in een safehouse. Met hulp van de kerk konden mijn familie en ik uiteindelijk het land verlaten en asiel aanvragen. Toen ik met het vliegtuig vertrok was ik nog steeds erg bang, omdat moslimterroristen uitgebreide sterke netwerken hebben in de hele samenleving. Maar toen het vliegtuig opsteeg en ik op de kaart zag dat we het luchtruim van Pakistan verlieten, voelde ik voor het eerst rust. Daarna kon ik eindelijk ontspannen en viel ik in slaap.
Kerken leeg
Later kwam ik naar Nederland. Hier is vrijheid om je geloof te belijden en daar ben ik dankbaar voor. Tegelijk zie ik dat het christelijk geloof hier minder sterk is geworden. Veel kerken zijn leeg en veel mensen geloven nergens meer in. Vroeger brachten mensen uit het Westen het evangelie naar het Oosten. Nu lijkt het alsof God mensen uit het Oosten naar het Westen brengt om het evangelie hier weer te delen.
In Nederland werk ik opnieuw in een kerk en help ik vluchtelingen. Ik ga ook naar asielzoekerscentra om bijbelstudiebijeenkomsten te organiseren en mensen te bemoedigen. Door Gods genade zijn er mensen tot geloof gekomen en we hebben hen kunnen dopen in de naam van Jezus. Veel Pakistaanse christenen wonen nog in asielzoekerscentra en wachten op een beslissing over hun procedure. Dat geeft veel stress, omdat hun toekomst onzeker is.
Ik geloof dat christenen hun geloof niet alleen met woorden moeten laten zien, maar ook met daden. Als iemand honger heeft, moet je eerst brood geven en daarna bidden. We moeten liefde tonen, voor elkaar zorgen en voor elkaar bidden. Dat is wat Jezus ons leert. Ondanks alles wat ik heb meegemaakt, heb ik mijn hoop nooit verloren. Zelfs toen ik gevangen zat, zei ik tegen mijn ontvoerders dat ze mij misschien konden doden, maar dat ze mij nooit konden scheiden van Jezus. Dat geloof houd ik vast.”





