De ramadan is allang niet meer “iets van ver weg”. Supermarkten spelen erop in, media besteden er breed aandacht aan, en op straat wordt het zichtbaarder dan ooit. In de nieuwste aflevering van Revive Today schuiven Huib Rommers (evangelist, Testimony of Jesus) en Ismaël Akachar (ex-moslim, woont in België) aan voor een gesprek over ramadan, islam, bekering en discipelschap. Het is een gesprek dat niet blijft hangen in meningen, maar een inkijk geeft in hoe ramadan functioneert als religieus systeem — én hoe Jezus een man uit dat systeem trok, met een prijs die nog steeds voelbaar is.
Ismaël groeide op met één vaste overtuiging: christenen zijn misleid. “Mijn vader zei altijd: ‘Luister niet naar die gekke christenen. Het is allemaal aangepast. Het is corrupt.’” Die zin was niet zomaar een mening thuis aan tafel; het werd een identiteit. Ismaël zocht discussie met christenen, ook op school. Niet om te luisteren, maar om te winnen. “Ik zocht dingen op internet over de Bijbel — gewoon om te vuren naar hem.”
Ramadan: zichtbaar, maar niet altijd eerlijk
In de aflevering komt een observatie steeds terug: de ramadan wordt in het Westen vaak gepresenteerd alsof “iedere moslim meedoet en iedereen strikt is”. Ismaël nuanceert dat beeld direct. “Ik heb veel vrienden die nog steeds moslim zijn die eigenlijk helemaal niet meedoen met de ramadan, maar dat beeld wordt wel gewekt.” Tegelijk zegt hij: als moslim wist hij precies hoe de maatschappelijke druk werkte. “Je moet mij respecteren, je moet daar rekening mee houden… en dat wordt dan ook gedaan. En zo groeit het verder.”
Huib benoemt wat hij elk jaar merkt: ramadan is niet alleen een cultureel moment, maar ook geestelijk geladen. “Naar de moskee gaan, vijf keer bidden — dat doet iets in de geestelijke wereld.” Voor christenen noemt hij het “een wake-up call”: het confronteert met toewijding, discipline en zichtbaarheid.
Ismaël is eerlijk over hoe dat in de praktijk vaak ging. “Opeens leeft het geloof weer. Iedereen die slechte dingen deed stopt daar even een maandje mee… maar het is ook maar voor een maandje.” Sommige momenten waren pijnlijk herkenbaar: aftellen tot het eten, tot de eerste sigaret, tot het “weer mag”. “Vanaf dat tijd is om te eten wordt die bubbel uitgeprikt en doe je weer wat je wilt.”
“Punten verdienen” en de balans herstellen
Huib vat het islamitische systeem samen zoals Ismaël het herkent: ramadan als spirituele acceleratie om de ‘schalen’ te beïnvloeden. “In de ramadan kun je veel punten verdienen, slechte werken wegspelen, de balans herstellen.” Ismaël bevestigt: “Ja, klopt.”
En daarin zit volgens hem ook de ruimte voor dubbele standaarden. Hij vertelt over jongeren die bidden, maar tegelijk leven alsof er geen grenzen zijn. “Zolang dat je bidt, word je vergeven… dus kun je slechte dingen doen.” De logica is hard: je houdt een religieuze handeling vast en gebruikt die als verzekering.
Huib legt daar het contrast met het evangelie naast: niet werken om gered te worden, maar leven vanuit genade. “We vasten niet meer voor redding… de overwinning is al behaald.” Het gesprek blijft concreet: waar religie de mens in controle zet, zet genade de mens op de knieën.
“Christendom is makkelijker dan islam” — Ismaël: “Nee. Veel moeilijker.”
In de aflevering komt een stelling op tafel die veel mensen herkennen: christendom zou “makkelijker” zijn dan islam. Ismaël zegt zonder twijfel dat hij daar compleet anders naar kijkt sinds hij Jezus volgt. “Als christen moet je zoveel liefde hebben voor de persoon. Een liefde die ik als moslim niet kende.”
Hij noemt het verschil niet als theorie, maar als praktijk. “Wanneer iemand u uitscheldt: als moslim ging ik direct in de aanval.” En dan zijn conclusie: “Als christen moet je rustig zijn en zeggen: ‘God zegent u.’ … Je moet eigenlijk lijden. Dat is heel moeilijk.”
Daarmee zet hij de lat precies waar Jezus hem legt: niet een religie die je ‘afwerkt’, maar een Heer die je verandert. Niet hardheid als reflex, maar liefde als gehoorzaamheid.
De droom: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”
Het kantelpunt in Ismaëls verhaal begint niet met een debat, maar met een droom. Hij beschrijft hoe hij verdwaald was “in de bergen”, knielde en om hulp riep. Dan ziet hij “een man” met open armen. Die spreekt hem aan: “Ismaël, Ik ben de weg, de waarheid en het leven.”
Hij zegt erbij: “Ik wist dat Jezus het was, maar ik wou er niks van weten.” Hij probeerde het te negeren. Maar in dezelfde periode was zijn vrouw zwanger en had ze een hoge bloeddruk; er was stress en ziekenhuisbezoek. Dan pakt hij een Bijbel die hij eerder had gekregen — en hij besluit het op de proef te zetten: “Jezus, als U echt bent… toon dat alles goed is met mijn vrouw en de baby.”
Hij slaat de Bijbel open en leest: “Uw vrouw is vruchtbaar midden in uw huis en uw kind zal gezond rond uw tafel zitten als een olijfboom.” Zijn reactie is rauw en direct: “Ik heb letterlijk gevraagd, ik heb het direct gekregen. Kan ik dat nog steeds negeren?”
Op dat moment wordt het niet langer ‘interessant’ of ‘discussie’. Het wordt gehoorzaamheid.
Wat hem daarna treft, is dat de woorden uit zijn droom letterlijk in de Bijbel staan. “Ik had die woorden nog nooit gehoord.” En toch las hij het zwart op wit: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Voor Ismaël was dat een schok: niet alleen een ervaring, maar bevestiging in de Schrift.
De prijs: vader en familie kwijt
Ismaël vertelt dat hij zijn keuze niet zonder gevolgen kon houden. “Ik heb het aan mijn vader gezegd. Die zei dat ik gek was.” En dan de zin die blijft hangen: “Ik heb mijn vader op dit moment nog niet gezien… omdat ik christen ben.”
Huib benoemt het realistisch: uit de islam stappen is vaak niet één beslissing, maar afscheid nemen van een complete wereld. “Jezus volgen betekent: gedag zeggen tegen je cultuur… je neefjes niet meer zien, je nichtjes niet meer zien… je wordt onteigend.” Ismaël bevestigt het met zijn eigen pijn: maanden geen contact, verdriet, en het besef dat een bezoek aan Marokko niet veilig of haalbaar is. “Ik heb nog een broer in Marokko, maar ik zou niet naar daar kunnen.”
Dit is geen “feelgood getuigenis” zonder kruis. Het is precies wat Jezus bedoelt als Hij zegt dat wie Hem volgt, alles kan verliezen — en toch Hem wint.
Wat veranderde er na de doop?
Ismaël beschrijft zijn doop als een breuklijn: sterven en opstaan. “Het voelde alsof ik daar honderd jaren lag… en toen ik omhoog werd getrokken was ik weer levend. Ik zag alles anders.” Hij koppelt het direct aan bevrijding: verslavingen begonnen af te breken. Hij noemt concreet waar hij bij moslims veel strijd ziet: “porno, shisha, drugs… ze willen dat ook niet, maar je kunt er niet mee stoppen.” Zijn conclusie: de kracht van de Heilige Geest is niet een theorie, maar een realiteit die zonde breekt.
En dan vertelt hij iets wat hem raakte toen hij voor het eerst in een kerk kwam. In de moskee zag hij “allemaal hetzelfde uiterlijk”. In de kerk zag hij “Afrikaanse mensen, mensen van Azië, Belgische mensen… iedereen zingen, iedereen bij elkaar.” Zijn gedachte: “Zo ziet het er volgens mij uit bij God. Alle mensen samen.”
Een spiegel voor de kerk
De aflevering blijft niet hangen bij kritiek op islam; er komt ook zelfonderzoek. Huib maakt het scherp: christenen kunnen niet alleen wijzen naar “hun media-machine”, als wij zelf leegte laten vallen. “Waar leegte wordt achtergelaten, daar komt iets anders op.” Ismaël zegt dat moslims zichtbaarder zijn, maar dat christenen vaak stiller bidden. Tegelijk roept hij op: “We moeten wel echt de straat op. We moeten laten zien dat wij één zijn, dat wij er zijn… meer praten met mensen.”
En hij zegt iets dat veel kerken zouden moeten horen: hij dacht dat christenen “zwak” waren omdat hij het niet zag. Nu begrijpt hij: echt geloof leeft niet voor applaus. “Nu als christen vast ik ook nog steeds, maar dan zeg ik er tegen niemand iets over… het is iets tussen jou en God.”
De kern: Jezus houdt van moslims
Het gesprek wordt het scherpst wanneer Huib zegt wat de motivatie is achter evangelisatie onder moslims: niet winnen, maar redding. “Wij houden van moslims. Veel belangrijker nog: Jezus houdt van moslims. Hij stierf voor moslims.” Dat is geen slogan in de aflevering; het is de kern van het getuigenis.
Ismaël leeft nu met een overtuiging die hem familie kostte, maar hem Christus gaf. En precies daarom zegt hij: “Hoe erg zou het zijn als ik het voor mijzelf hou?”





