De verdachten van de aanslag op een synagoge in Rotterdam zijn mogelijk geronseld voor hun daad. Dat zei minister van Justitie en Veiligheid David van Weel dinsdag in de Tweede Kamer. Tegelijkertijd wordt nadrukkelijk onderzocht of er buitenlandse betrokkenheid is — waaronder een mogelijke rol van Iran.
Bij de aanslag werd een explosief tot ontploffing gebracht bij een Joodse instelling. Vier jonge verdachten, tussen de 17 en 19 jaar, zijn aangehouden. Volgens de minister wijst veel erop dat zij niet zelfstandig handelden, maar mogelijk zijn ingezet door anderen.
Ook online claims spelen een rol in het onderzoek. Een Iraanse groepering heeft de aanslagen opgeëist, al is nog onduidelijk of die claim betrouwbaar is. Van Weel benadrukt dat Iran in het verleden vaker criminelen heeft ingezet voor operaties in het buitenland, maar dat nog niet vaststaat of dat hier het geval is.
Daarnaast onderzoekt de politie een mogelijk verband met een tweede aanslag: een explosie bij een Joodse school in Amsterdam, kort na het incident in Rotterdam. De twee gebeurtenissen vertonen overeenkomsten in uitvoering. “Het is nog te vroeg om uit te sluiten dat er een link is,” aldus de minister.
De aanslagen zorgen voor grote zorgen over de veiligheid van Joodse instellingen in Nederland. Hoewel Van Weel stelt dat er geen sprake is van een acute “golf van antisemitisme”, noemt hij antisemitisme wel een groeiend probleem dat blijvende aandacht vraagt.
Het onderzoek richt zich nu op zowel de uitvoerders als mogelijke opdrachtgevers — nationaal en internationaal.





